Een vaccin is een aangepast stukje lichaamsvreemd materiaal dat wordt gemaakt uit een natuurlijke ziekteverwekker (virussen, bacteriën) of uit stoffen die de ziekteverwekker aanmaakt en beschermende immuniteit (afweer) tegen de ziekteverwekker opwekt.
Een inenting of vaccinatie, is het gericht toedienen van lichaamsvreemd materiaal met als doel specifieke immuniteit (in de vorm van antilichamen en/of afweercellen) op te wekken, waarbij er zo weinig mogelijk tot geen nadelige gevolgen optreden.
De meeste vaccinaties worden toegediend in de kindertijd. Tijdens de zwangerschap wordt een baby beschermd door het immuunsysteem van de moeder en bij de geboorte heeft een baby voor nog ongeveer 2 maanden beschermende antistoffen van de moeder. Via de moedermelk krijgt het ook nog beschermende antstoffen binnen. Daarna zal het immuunsysteem van de baby zelf de afweer moeten verzorgen.
Door de vaccinaties binnen het Rijksvaccinatieprogramma wordt het immuunsysteem getraind om ziekteverwekkers van veel voorkomende kinderziektes onschadelijk te maken, om te voorkomen dat de baby ziek wordt.
Actieve immunisatie (=vaccinatie) zet het lichaam zelf aan tot opbouw van afweer, dit in tegenstelling tot zg. passieve immunisatie, waarbij kant-en-klare antilichamen (immunoglobulinen, antiserum) worden toegediend. Deze passieve immunisatie heeft als voordeel dat het direct bescherming biedt, maar als nadeel dat de bescherming van korte duur is (de immunoglobulinen worden afgebroken door het lichaam) en dat het een bloedproduct betreft.
Bij actieve immunisatie wordt bij de meeste vaccins ook een immuungeheugen opgebouwd (vaak door een serie van vaccinaties) waardoor langdurige (vaak levenslange) bescherming optreedt.
Er bestaan verschillende soorten vaccins:
- vaccins die levend verzwakte micro-organismen bevatten (bijvoorbeeld vaccin tegen bof, mazelen en rode hond) en
- vaccins die bestaan uit (delen van) gedode micro-organismen en
- vaccins die bestaan uit kunstmatig geproduceerde delen (eiwitten) van microorganismen.
Deze laatste twee zogenaamde geïnactiveerde vaccins kunnen dus bestaan uit de ziekteverwekker zelf of bereid zijn door middel gentechnieken en synthetisch van aard zijn (bijvoorbeeld hepatitis B en humaan papillomavirus).
Vaccins worden over het algemeen in de spier (bovenarm bij oudere kinderen en volwassenen en zijkant van het dijbeen bij zuigelingen) of onderhuids geïnjecteerd. Sommige levend verzwakte vaccins kunnen worden ingeslikt of via een neusspray worden opgenomen.
Laatst bijgewerkt: juni 2009