Adjuvans:
Een stof die, bij gelijktijdige toediening met een antigeen, de immuunrespons op het antigeen versterkt. Adjuvantia zijn meestal samengesteld uit mineralen, olieachtige stoffen of derivaten van bepaalde micro-organismen.
NAAR BOVEN
Antigeen:
Een lichaamsvreemde stof, meestal een eiwit, die het vermogen heeft het lichaam te stimuleren om een antistoffen en/of cellen aan te maken die specifiek op dat antigeen zullen reageren.
NAAR BOVEN
Antistoffen:
Proteïnen (eiwitten) die voor een groot deel in bloedplasma aanwezig zijn (immunoglobulinen). Zij spelen een rol in de afweermechanismen van het lichaam tegen micro-organismen door hun vermogen op een specifiek antigeen te reageren. De productie van antistoffen wordt uitgevoerd door de cellen van het immuunsysteem en wordt gestimuleerd door het bijbehorende antigeen.
NAAR BOVEN
Asymptomatisch:
Zonder klinische tekenen of symptomen van de ziekte.
NAAR BOVEN
Bacterie:
Een eencellig micro-organisme dat heel klein is en gemiddeld een diameter van 1 micrometer (een duizendste deel van een millimeter) heeft. De cellen kunnen verschillende vormen hebben: bolvormig, rechte of gebogen staafjes, of spiraalvormig. Bacteriën kunnen kapsels hebben of een soort staartjes als aanhangsel (flagella) waardoor ze beter kunnen bewegen. Sommige bacteriën veroorzaken ziekten bij mensen of dieren (pathogeen). Anderen zijn onschuldig (niet-pathogeen) en leven in de mens, waar ze veel natuurlijke processen van het lichaam ondersteunen, zoals de spijsvertering in de darm.
NAAR BOVEN
Booster (injectie):
Een veel gebruikte vaccinatietechniek waarbij het vaccin opnieuw wordt toegediend na een bepaalde (en variabele) tijd (weken, maanden of jaren) voor versterking of herstel van immuniteit.
NAAR BOVEN
Combinatievaccin:
Een vaccin dat verschillende antigenen bevat in één spuit. Zo bevat DTP-Hib-vaccinatie combinaties van vaccins tegen difterie, tetanus, polio en haemophilus influenzae type b, allemaal in één injectiespuit en op hetzelfde moment toegediend.
NAAR BOVEN
Contra-indicatie:
Argument tegen het uitvoeren van een bepaalde behandeling. (bijv. vaccinatie)
NAAR BOVEN
Endemie:
Constante of periodieke aanwezigheid van een ziekte in een bevolking.
NAAR BOVEN
Epidemie:
Gelijktijdige aanwezigheid van een ziekte gedurende een beperkte periode bij een groot aantal mensen in hetzelfde geografische gebied.
NAAR BOVEN
Epidemiologie:
Wetenschappelijk onderzoek naar de verbreiding van ziekten - binnen bevolkingsgroepen.
NAAR BOVEN
Immunisatie:
Het verkrijgen van natuurlijke immuniteit of immuniteit door vaccinatie (actieve immunisatie) of door injectie van immunoglobulinen die functioneren als antistoffen (passieve immunisatie).
NAAR BOVEN
Immuniteit:
Een toestand van relatieve resistentie tegen een infectie die aangeboren kan zijn (van geërfde eigenschappen) of die actief of passief is verkregen, natuurlijk of kunstmatig. Actieve immuniteit wordt verkregen door een natuurlijke infectie of door vaccinatie. Passieve immuniteit wordt hetzij op natuurlijke wijze verkregen door de overdracht van antistoffen van de moeder naar het kind, hetzij op kunstmatige wijze door injectie van immunoglobulinen.
NAAR BOVEN
Immunogeniciteit:
Het vermogen van antigenen om de aanmaak van antistoffen te stimuleren, of meer algemeen om een specifieke immuunrespons op te roepen.
NAAR BOVEN
Immunosuppressie of immunodeficiëntie:
Aandoeningen veroorzaakt door ziekte of drugs waarbij de normale immuunrespons op een antigeen is verminderd.
NAAR BOVEN
Incidentie:
De incidentie is gedefinieerd als het aantal nieuwe gevallen van een ziekte per tijdseenheid, per aantal van de bevolking. Meestal wordt de incidentie per duizend personen per jaar opgegeven, soms per honderdduizend per jaar.
NAAR BOVEN
Infectie:
De aanwezigheid van een lichaamsvreemd organisme (bacterie, virus, schimmel of parasiet) in het lichaam, dat zich kan vermenigvuldigen en schade aan kan richten. De infectie kan vergezeld gaan van symptomen en verschijnselen, maar kan ook asymptomatisch zijn.
NAAR BOVEN
Intradermale injectie:
Een injectie die wordt toegediend in de bovenste laag van de huid (de dermis).
NAAR BOVEN
Intramusculaire injectie:
Een injectie die wordt toegediend in het spierweefsel, gewoonlijk in de bovenarm maar soms ook in de dij of de bil.
NAAR BOVEN
Micro-organisme:
Een zeer klein organisme dat uitsluitend zichtbaar is met een microscoop of een elektronenmicroscoop. Micro-organismen zijn bijv. bacteriën, virussen, microscopische schimmel, protozoa en sommige parasieten.
NAAR BOVEN
Ontsteking:
Het gevolg van het vrijkomen van lichaamsvreemde stoffen in het lichaam op een plek waar het weefsel is beschadigd. Er zijn normaliter vier hoofdsymptomen van ontsteking: warmte, pijn, roodheid en zwelling. De verwonding die leidt tot ontsteking kan veroorzaakt zijn door chemicaliën, fysiek letsel, bacteriële, virale, fungale of parasitaire infectie of door een antigene reactie.
NAAR BOVEN
Pandemie:
Een epidemie die op hetzelfde moment op verschillende continenten plaatsvindt.
NAAR BOVEN
Parasiet:
Een organisme dat zich moet voeden door te leven van de cellen van een ander levend organisme.
NAAR BOVEN
Pathogeen:
Een ziekmakend organisme/stof.
NAAR BOVEN
Prevalentie:
Het percentage van de bevolking op een bepaald moment met een bepaalde aandoening, ziekte, enzovoorts.
NAAR BOVEN
Protozoa:
Protozoa zijn eencellige organismen, waarvan de meeste parasieten van de mens zijn. De malariaparasiet is hiervan het bekendste voorbeeld.
NAAR BOVEN
Schimmel:
Een schimmel (fungus meervoud fungi), is een organisme dat leeft van organische stoffen. Het kan variëren van zeer complexe vormen zoals paddestoelen tot eencellige vormen zoals gist. De meeste schimmels zijn goed voor ons, maar sommige kunnen in of aan ons lichaam groeien en infectie veroorzaken. Deze infecties lopen uiteen van huid- of haarinfecties tot zeer ernstige longinfecties.
NAAR BOVEN
Seroconversie:
Dit begrip slaat op de ontwikkeling van antistoffen bij iemand die deze antistoffen niet in het bloed had voor de introductie van een antigeen in het lichaam. Voordat seroconversie plaatsvindt, wordt de persoon seronegatief genoemd; na seroconversie is de persoon seropositief.
NAAR BOVEN
Simultane vaccinatie:
De gelijktijdige toediening van verschillende vaccins op verschillende plekken.
NAAR BOVEN
Sporadisch(e) (gevallen):
Infecties die voorkomen in kleine aantallen of als geïsoleerde gevallen en die door tijd van elkaar gescheiden zijn zonder een sterk epidemiologisch verband.
NAAR BOVEN
Subcutane injectie:
Een injectie die onder de bovenste laag van de huid, en dieper dan intradermaal, wordt toegediend.
NAAR BOVEN
Vaccin:
Een vaccin is een aangepast, niet ziekmakend, preparaat van een antigeen, dat na introductie in het lichaam de ontwikkeling van een beschermende immuunrespons kan stimuleren bij de ontvanger, zodat hij of zij specifieke antistoffen en/of cellen aanmaakt tegen het ingebrachte antigeen. Dankzij deze antistoffen is de persoon in staat om de pathogene ziekte te bestrijden zodra deze optreedt. Vaccins worden in twee categorieën onderverdeeld:
Levende verzwakte vaccins:
Deze bevatten een stam van de bacterie of het virus die erg lijkt op de wilde stam, die zijn vermogen heeft verloren om de ziekte te veroorzaken (verzwakt), maar die wel in staat is om in het lichaam te groeien, waardoor het een immuunrespons induceert.
Geïnactiveerde vaccins:
Deze bevatten stammen van de bacterie of het virus die door warmte of chemicaliën zijn gedood. Zij zijn in staat om de aanmaak van antistoffen te stimuleren, maar zijn niet in staat om ziekte te veroorzaken.
NAAR BOVEN
Vaccinatiekalender:
Vaccinatiekalenders geven een overzicht van de vaccins die aanbevolen worden aan kinderen vanaf de geboorte, inclusief het aanbevolen tijdstip waarop de vaccins moeten worden toegediend en het aantal vereiste doses. Nationale vaccinatiekalenders houden rekening met de aanwezigheid van de verschillende ziekten in het land, de vaccinatiekalenders van andere landen en de aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).
NAAR BOVEN
Valentie:
De valentie van het vaccin is het aantal verschillende antigenen dat het (combinatie)vaccin bevat. Het pneumokokken polysaccharide-vaccin is bijvoorbeeld 23-valent.
NAAR BOVEN
Virus:
Virussen zijn zeer kleine organismen (feitelijk partikels), bestaande uit een hoeveelheid erfelijk materiaal (RNA of DNA), gewoonlijk ingesloten in een omhulsel van eiwit. Ze zijn aanzienlijk kleiner dan bacteriën. In tegenstelling tot bacteriën zijn virussen niet in staat om te leven en zich te reproduceren buiten de gastheercel. Het erfelijk materiaal instrueert de gastheercel om meer virussen aan te maken. In veel gevallen kan dit leiden tot de dood van de gastheercel en is vaak ook de oorzaak van ziekteverschijnselen. Antibiotica zijn niet effectief tegen virale infecties.
NAAR BOVEN
Laatst bijgewerkt: juni 2009